15 jaar conceptsubsidie onder de loep

  • 6 juni 2019

Een renner die tweede is geworden in een wedstrijd, zie je zelden breed glimlachend op het podium staan. Meestal zie je de teleurstelling na de nipt misgelopen overwinning van het gezicht afdruipen.  Zo moeten ook de eerste laureaten van de conceptsubsidies, nu alweer iets meer dan vijftien jaar geleden, zich gevoeld hebben.

Echt vrolijk stonden de gezichten niet van de eerste laureaten van de conceptsubsidies in 2002. Mooi is dat, dachten de steden, ons een mooie subsidiewortel voor stadsvernieuwing voor de neus laten bengelen en ons dan naar huis sturen met een kluitje in het riet. Enfin, met een concéptsubsidie. Als troostprijs voor een “onaf” projectsubsidievoorstel, waarvan jij toch dacht dat het zo’n vernieuwend en game-changing project was. Knap hoor, dat projectvoorstel, maar misschien moet je het toch nog een tikkeltje bijschaven. Weet je wat, hier heb je een paar duizend euro’s. Probeer het later nog maar eens. Dat was zo’n beetje de teneur onder de steden…

Het zou nog even duren voor de conceptsubsidies niet langer als een troostprijs voor een te licht bevonden stadsvernieuwingsproject werden beschouwd en een eigen smoel kregen met een eigen specifieke finaliteit. Toch zouden de conceptsubsidies er uiteindelijk toch in slagen om uit te groeien tot een bijzonder gewaardeerd instrument onder de steden. Een instrument dat een belangrijke bijdrage levert aan de capaciteitsontwikkeling binnen de steden en aan een heel netwerk van ervaren en jonge ontwerpwolven, aan het geloof in eigen kunnen en aan een totaalvisie op stedelijk beleid en aan een gedragen samenwerking tussen lokale besturen, private partners, stadsbewoners en ontwerpers.

Naar aanleiding van vijftien jaar conceptsubsidie vonden wij van Team Stedenbeleid het wel eens tijd om terug te blikken en tegelijkertijd vooruit te kijken. Vandaar kwam het idee van een ‘digitale’ publicatie. Het toevoegen van nieuwigheden aan het verhaal kan zo voortdurend gebeuren. Verwacht je hierbij niet aan louter een opsomming van goede praktijken en leuke voorbeelden. De publicatie waagt zich aan een kritische reflectie op het instrument van de conceptsubsidies, dat minder tastbare deel van de stadsvernieuwingsprojecten. In een tiental bijdragen laten juryleden en leden van het regieteam (het team dat instaat voor de begeleiding van de steden in hun conceptuele zoektocht) hun licht schijnen over het belang van de conceptsubsidies, de meerwaarde ervan en hun mogelijkheden, maar ook de valkuilen en aandachtspunten. Met doorheen dat verhaal een aantal inspirerende voorbeelden zoals het Kolenspoor in Genk, de Hartwijk in Eeklo, de revitalisering van Zeebrugge of de stad Deinze die aantoont hoe zij de methodiek van de conceptsubsidies in haar reguliere werking verankert heeft.

Wat heeft deze publicatie allemaal te bieden?

Voor Michiel Dehaene, voorzitter van de jury van de stadsvernieuwingsprojecten, ligt de meerwaarde van de conceptsubsidies in de capaciteitsontwikkeling bij de lokale besturen en in het ontstaan van een praktijkgemeenschap van ontwerpend onderzoek waaraan de conceptsubsidies hebben bijgedragen. Conceptsubsidies als – tromgeroffel – vaandeldragers voor stedelijke projecten die kunnen fungeren als een testbed voor een nieuwe stedelijkheid, met de stad als dé plek voor innovatie in lokaal beleid en samenleving. Als laboratorium voor een nieuwe stedelijkheid die tegelijk ruimtelijk en maatschappelijk is zoals André Loeckx, de Don Corleone van de Vlaamse stadsvernieuwing, het in zijn slotbijdrage vermeldt. Dehaene wijst ook op het nieuwe stedelijke speelveld dat in de loop van dat anderhalf decennium is ontstaan en op nieuwe stedelijke vraagstukken zoals de aandacht voor het klimaat, circulariteit, nieuwe woonvormen en verdichting – die in deze periode de kop opstaken. En hij waarschuwt: stedelijke vraagstukken zijn nooit “af” of “opgelost”. Altijd opnieuw kunnen er beren op de weg opduiken.

Tania Hertveld, bestuurscoördinatrice bij de Vlaamse Bouwmeester, benadrukt het innovatieve karakter van de conceptsubsidies. Door de conceptsubsidies werd de durf aangemoedigd om het vaste werkstramien los te laten, open te staan voor nieuwe concepten en buiten de lijnen te kleuren. Zij staat ook stil bij de wederzijdse inspiratie – en de verschillen – die de conceptsubsidies en het bouwmeesterschap elkaar te bieden hebben.

Eenzelfde geluid vinden we bij Stefan Devoldere, ex-Bouwmeester en huidig decaan Architectuur en Kunst van UHasselt: ontwerpend onderzoek is dé manier om alles op een rijtje te zetten en de vraag scherp te krijgen. Doorheen de jaren was die notie van ontwerpen sterk aan verandering onderhevig, mee onder invloed van de mogelijkheden die de conceptsubsidies boden (en bieden). Van een onaf “klassiek” masterplanontwerp naar een oefening in het ordenen van gedachten.

Professor Jan Schreurs belicht in de hem gekende lyrische, enthousiasmerende stijl de “gedeelde verbeelding als motor en drijfveer van conceptsubsidiëring”. Hij beschouwt conceptstudies als innovatieve concepten aan de hand waarvan toekomstige mogelijkheden van een plek of uitdaging op de mentale kaart worden geplaatst. Projectstudies zijn multidisciplinaire onderzoeken van mogelijke antwoorden op bredere maatschappelijke uitdagingen.

Griet Geerinck van AG Vespa en Sylvianne Van Butsele van Omgeving Vlaanderen beklemtonen het belang van samenwerken. De complexiteit van stedelijke vraagstukken zorgt voor een constant aantrekken, botsen, afstoten van “thema’s”. Conceptueel onderzoek is geen lineair proces, maar wel een continu proces van zoeken en bijstellen, definiëren en herdefiniëren, samenbrengen en uiteenhalen. Het is een immer verschuivende focus en mogelijke botsingen van ideeën en ambities, die toch moeten samengebracht worden. En dus is samenwerking essentieel, maar dit is niet altijd evident.

Architect en ruimteplanner Marc Martens was nauw betrokken bij het hele “slow urbanism” -ontwikkelingsproces van de Turnova-site. Hij illustreert aan de hand van dit voorbeeld wat dat voortdurend aantrekken en afstoten van belangen, eisen en bezorgdheden betekenen. En hoe de lokale overheid het stuur van de ontwikkelingswagen toch ferm in de hand probeert te houden, ondanks juridische kronkelpaadjes, financiële klippen, eigendomsobstakels en andere dwarsliggers.

Thierry Goossens, bezieler van het team Stedenbeleid, legt uit hoe de conceptsubsidie het lokaal vermogen kan versterken doorheen de verschillende fasen binnen het traject van de conceptsubsidies: van bij de voorbereiding van de subsidieaanvraag, over hoe je de belangrijkste accenten kan verdedigen tegenover een strenge (maar rechtvaardige) jury, tot de selectie van het multidisciplinaire team. En nog verder. Of hoe een conceptsubsidie niet zomaar een studieopdracht is, maar veeleer een lokale manier van capaciteitsopbouw….

In de slotbijdrage reflecteert André Loeckx kritisch over de inhoudelijke onderbouw van de stadsvernieuwingsprojecten, het Witboek Stedenbeleid – De Eeuw van de Stad – uit 2003 en of dit Witboek de verwachtingen heeft ingelost. Veel van de ambities en uitgangspunten uit het boek staan nog steeds overeind. De vier D’s van het Witboek – diversiteit, democratie, dichtheid en duurzaamheid – zijn, nog meer dan toen, de drijvende kracht achter stedelijke ontwikkelingen en vormen nog steeds de basis van “stedelijkheid”. Maar tegelijk steken nieuwe stedelijke uitdagingen de kop, nieuwe stedelijke actoren, die hun plaats nog moeten zoeken. En wat meer is: er blijven nog steeds muren te slopen, muren waartegen nog al te vaak tegenaan wordt gebotst. Maar niet getreurd, de stadsvernieuwing in Vlaanderen is nog maar half weg. En dus is er nog veel tijd en ruimte voor ambitieuze experimenten….

studienamiddag

pdf bestandPublicatie Conceptsubsidie (46.18 MB)