Kinderen en jongeren krijgen stem

  • 22 juni 2017

Een nieuwe uitdaging voor planners en beleidsmakers. Stilaan groeit het besef in Schotland dat kinderen en jongeren amper of geen inspraak hebben in het planningsproces. Een hervorming van het planningssysteem dringt zich op. Dr. Jenny Wood van de Heriot Watt Universiteit in Edinburgh formuleerde vijf aanbevelingen om de participatie van kinderen en jongeren bij het planningsproces te versterken. Het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 1989 vormt haar uitgangspunt. Het verdrag bundelt de rechten van alle kinderen over de hele wereld, ongeacht de huidskleur, religie of het geslacht. Het erkent de burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten van kinderen. Het recht op participatie is één van de vier leidende principes. Twee artikels zijn bepalend voor de aanbevelingen aan de Schotse beleidsmakers:

  • Artikel 12 van het verdrag stelt dat een kind het recht heeft om zijn of haar mening te kennen te geven en dat volwassenen daarmee rekening moeten houden als het kind het voorwerp uitmaakt van een situatie of een procedure.   
  • Artikel 31 kent kinderen het recht toe op:
    • rust en vrije tijd;
    • deelname aan spel en recreatieve bezigheden die bij hun leeftijd passen;
    • vrije participatie aan het culturele en artistieke leven.

 

De vijf aanbevelingen van Dr. Jenny Wood

 

1. Vorming en ervaring met het werken met kinderen bij planners

Planners komen professioneel weinig in aanraking met kinderen. Ze formuleren ook zelden regels over een kindvriendelijk beleid, want dat maakt geen deel uit van hun opleiding. Een eerste belangrijke stap is dat minstens één lid van elk planningsteam daarin voldoende deskundigheid en ervaring krijgt.

2. Richtlijnen en methodes

De overheid moet richtlijnen ontwikkelen en methodes aanreiken voor het betrekken van kinderen en jongeren bij het planningsproces. Planners moeten rekening houden met kinderen van verschillende leeftijden en vaardigheden. Ze mogen geen prioriteit geven aan oudere kinderen. Succesvolle methodes en goede voorbeelden van kinderparticipatie bestaan. Toch is het belangrijk dat volwassenen daar voldoende kritisch mee omgaan en oog voor hebben voor het duidelijke verschil tussen het informeren van kinderen en het vragen van een echte inhoudelijke bijdrage in het planningsproces.

3. Feedback

De overheid moet een sterk terugkoppelingsmechanisme tussen de planners, kinderen en jongeren ontwikkelen. Zij verwachten duidelijkheid over hun input in het proces. Dat kan soms snel en op korte termijn gebeuren, maar bij een lange termijnplanning is het onmogelijk om snel feedback te geven. Een open en eerlijke dialoog daarover is belangrijk. Het geeft kinderen vertrouwen in de planners en voorkomt teleurstelling. Tegelijk biedt het ook de kans om de gebruikte methodes te evalueren. Planners kunnen nagaan hoe ze het best met kinderen communiceren over wat haalbaar is en wat niet.

4. Netwerking

De overheid moet het netwerken, samenwerken en uitwisselen van vaardigheden tussen planologen en jeugdwerkers bevorderen en stimuleren. De jeugdwerkers beschikken over heel wat expertise en hun aanpak is altijd kindgericht. Daar kunnen planners van leren.

5. Best beschikbare informatie/documenteren

De overheid maakt werk van toegankelijke data over kinderen, jongeren en hoe zij de bebouwde omgeving gebruiken. Dat is al vrij goed gedocumenteerd. Nu komt het erop aan dat die informatie ook voor planners en beleidsmakers beschikbaar wordt.