Stadsvernieuwing is een sociaal rechtvaardigheidsvraagstuk

  • 27 november 2018

Burgerlijk ingenieur-architect Michiel Dehaene is professor Stedenbouw aan de Universiteit Gent. Naast Marcel Smets was André Loeckx - professor architectuur theorie aan de KU Leuven - een van zijn leermeesters. Hij treedt in 2017 uitdrukkelijk in zijn voetsporen als voorzitter van de stadsvernieuwingsjury. Zijn jaren dienst als jurylid stadsvernieuwing alsook zijn rijke ervaring op het Vlaamse en internationale terrein, maken van hem de geknipte persoon om de afgelegde weg te evalueren en de uitdagingen van de komende jaren te voorspellen.

Het instrument stadsvernieuwing bestaat vijftien jaar. Wat heeft het betekend voor het Vlaamse stadslandschap?

Michiel Dehaene: “Best veel. Het leverde bijzondere projecten op, waarin de initiatiefnemers systematisch zochten om de binnenstedelijke projectontwikkeling bij te sturen. Aanvankelijk mikten ze daarbij vooral op ruimtelijke kwaliteit en op sociale aspecten. De laatste jaren zetten ze steeds meer in op duurzaamheid. Maar je mag het stedenbeleid niet alleen op die indrukwekkende portfolio aan projecten beoordelen. Per jaar kan je trouwens maar hooguit een viertal projecten financieel ondersteunen. Dat blijft een druppel in de spreekwoordelijke oceaan. De echte impact van het instrument steekt in de vernieuwing van de werkwijze binnen steden. Het instrument moedigt steden aan om - veel meer dan voorheen - een regierol op te nemen voor stadsontwikkeling en hun eigen werking daarop in te stellen. Voor veel steden was het eerst wat wennen aan de projectgerichte financiering waarvoor ze een stevig aanvraagdossier moeten opmaken. Maar verschillende steden stemden hun eigen aanpak echt af op die projectmatige aanpak. Vandaag plukken ze daar de vruchten van. Ik denk daarbij bv. aan Deinze. Ze liepen een bluts en buil op tijdens hun eerste projectaanvraag. Sindsdien schakelen ze projectleiders in en kregen ze voor meerdere stadsvernieuwingsprojecten project- en conceptondersteuning. Deinze demonstreert dat het ook in een kleine stad kan.”

Zorgde de inzet van het instrument voor een andere stadsontwikkelingsaanpak?

Dehaene: “Zeker bij lokale besturen is die bestuurlijke vernieuwing zichtbaar. Steden nemen hun regierol met meer zelfvertrouwen op. Ik vind het erg interessant om zien hoe Vlaanderen met een relatief licht instrumentarium de horizontale samenwerking binnen de overheid weet te bevorderen. Maar heel eerlijk, het kan nog veel beter. Vlaanderen eist dat steden op een geïntegreerde en sectoroverschrijdende manier werken, maar slaagt daar zelf niet altijd in. Ik heb het gevoel dat dat veel steden frustreert. Ze ervaren de Vlaamse overheid als bevoogdend. De selectie en subsidiëring als stadsvernieuwingsproject is een zware procedure. Dan verwacht je dat die erkenning afstraalt op de manier waarop de verschillende Vlaamse departementen geselecteerde projecten begeleiden en afhandelen. Dat is helaas niet altijd zo.”

Welke evolutie maakte stadsvernieuwing in al die jaren door? Wat zijn vandaag de belangrijkste uitdagingen?

Dehaene: “De stadsvernieuwing van de afgelopen jaren toont hoe je door samen te werken met marktpartijen betere projecten kan bouwen. Die samenwerking leverde naast extra kwaliteit ook betere projectontwikkelaars op. Ze zijn nu beter dan voorheen in staat om vanuit een echt publiek privaat partnerschap aan een stad te bouwen. Toch blijft het hele proces te moeilijk en te traag lopen. Teveel middelen gaan nog steeds verloren.”

Kan je verklaren waarom dat zo is?

Dehaene: “De Vlaamse eigenaarsmarkt is erg versnipperd. Daardoor blijft het lastig om steden op een gestructureerde manier te ontwikkelen en duurt het vaak lang voor er überhaupt iets gebeurt. Grondposities worden vaak meermaals verhandeld voor ze bij de projectontwikkelaar terechtkomen. Een deel van de meerwaarde vloeit zo al weg naar de tussentijdse eigenaars, wat grote onzekerheid met zich meebrengt voor de projectontwikkelaars. Op hun beurt rekenen zij hun risico’s door aan de lokale besturen. Zo gaan er veel overheidsmiddelen verloren. Daarom zou de overheid meer proactief moeten optreden door bijvoorbeeld strategische gebieden aan te kopen of zelfs te onteigenen. Nadien kunnen ze de ontwikkelingsmogelijkheden gestructureerd en met een beter risicoprofiel op de markt brengen.”

Welke vraagstukken komen nog op ons af?

Dehaene: “We botsen vandaag op de grenzen van de stadsontwikkelingsaspecten die je al bouwend kan afdekken. Veel uitdagingen kan je niet enkel oplossen door beter te bouwen. Duurzaamheid bereik je bijvoorbeeld door je stad intelligent te beheren en te gebruiken. Maar hetzelfde kunnen we zeggen over de transitie naar deelmobiliteit of de ontwikkeling van een goed omkaderd zorgwonen. Al die beheersaspecten kan je ook niet zomaar in het bord van projectontwikkelaars leggen. Je hebt organisaties nodig die de woon-, leven- en werkaspecten in een stad verzorgen en met projectontwikkelaars en steden in zee kunnen gaan. Dergelijke stedelijke serviceproviders zijn noodzakelijk om de nieuwe generatie sociale en duurzame stadsprojecten op te zetten. Ik zie hier een belangrijke rol weggelegd voor de stadsvernieuwingsprojecten. Ze kunnen helpen om lokaal dergelijke nieuwe spelers op te kweken, net zoals we in de afgelopen jaren verlichte projectontwikkelaars vormden.”

Hoever staat het daarmee?

Dehaene: “In Vlaanderen kampen we met veel achterstallig werk. Dat komt omdat we in het verleden uitgesproken kozen voor een individuele eigenaarsmarkt. We realiseerden het betaalbaar wonen door appartementen te verkopen met lage maandelijkse vaste kosten. De omkadering van dit collectief wonen blijft heel pover en kampt met een gebrek aan investeringen. In Vlaanderen ontdekken veel mensen nu pas dat collectief wonen ook voordelen met zich kan meebrengen en niet alleen ruzie met een armlastige vereniging van eigenaars.”

Wat moet onze ambitie zijn?

Dehaene: “De vraag die zich nu stelt, luidt als volgt: ‘hoe maken we trajecten waaruit nieuwe constellaties (bv. nieuwe woonconcepten) kunnen ontstaan en waarbij we op voorhand al nadenken over de totale woonkost?’. Vandaag kiezen we radicaal voor een betonstop en een stedelijke verdichting. Daarmee breken we met een beleid dat een verregaande vorm van ruimtelijke spreiding toeliet om het wonen betaalbaar te houden. Alles kon schijnbaar overal. In elke gemeente was bouwgrond beschikbaar. De drempel tot de eigenaarsmarkt lag laag, wat de competitie om het centrum temperde. Daarmee ontzegden we ons ook de voordelen van een goed georganiseerde stad en kijken we nu aan tegen slecht uitgeruste woonclusters met hoge nutsvoorzieningskosten voor de gemeenschap.”

Hoe raken we van de dat historisch passief af?

Dehaene: “Het sociale rechtvaardigheidsvraagstuk en de gelijke toegang tot voorzieningen moeten we anders voeren. Niet door iedereen overal hetzelfde aan te bieden. Want zo kan je enkel basisvoorzieningen aanbieden zoals een minimum aanbod aan openbaar vervoer. De uitdaging bestaat erin om een hoogwaardige leefomgeving te maken en die vervolgens betaalbaar te houden voor grote groepen van de bevolking. We moeten breken met de idee dat herverdeling tot stand komt door het aanbod te spreiden. Ik verwacht in die zin echt wel iets van de regionale programmatie die Vlaanderen aan de vervoersregio’s wil koppelen. Maar de overheid moet tegelijk werken aan mechanismen om de solidariteit te organiseren binnen het territorium, anders krijg je een spel tussen gemeenten die al dan niet in de prijzen vallen. We moeten in elk geval ophouden met het programmeren van woningen op plaatsen waar eigenlijk geen woonbehoefte is. Enkel zo kunnen we in steden voluit de ontwikkelingskaart trekken.”

Zoals je zelf al aangaf, gaat stadsvernieuwing breder dan louter het ruimtelijke aspect. Duurzaamheid is een belangrijke pijler geworden binnen stadsvernieuwing. Slagen de steden erin om dat begrip goed te integreren in hun concepten en projecten?

Dehaene: “Ik geloof niet in een model dat ecologische doelstellingen tegen andere uitspeelt. Stedelijkheid gaat om het organiseren van collectieve voordelen. Ik vertel mijn studenten altijd dat verstedelijking begint als miserie: last van de buren, files, vervuiling, overstromingen of onhygiënische toestanden. Maar als we steden organiseren, worden het plekken waar net meerwaarde ontstaat en keuze. Tijdens het organiseren, maken we gebruik van technologie. Dat we vandaag ook ‘slimme’ technologie inzetten, vind ik perfect normaal. Maar de inzet van technologie moet overal gelijk zijn. Het moet collectief voordeel organiseren dat voor iedereen toegankelijk is. Niet alle projecten slagen daarin. Sommige duurzame projecten leggen teveel de nadruk op economische investering in groene technologie en verwaarlozen de sociale component. Dergelijke projecten werken sociale verdringing in de hand. Energieconcepten die de draagkracht van de samenleving niet bevorderen, zijn niet duurzaam.”

Welke rol kan stedenbeleid bij technologische vernieuwing spelen?

Dehaene: “We moeten de verwachtingen realistisch houden. Het stadsvernieuwingsbeleid maakt de trends niet, ze kan ze in het beste geval bijsturen en vernieuwende initiatieven stimuleren. Voor mij blijft de cruciale vraag of de stadsvernieuwingsprojecten het verschil maken tegenover business as usual? Het antwoord op die vraag is genuanceerd, maar toch vooral positief. We moeten blijven kijken hoe we het status quo kunnen counteren. Duurzaamheidsaspecten maken daar integraal deel van uit. De rest is een collectief leerproces. Initiatieven die de stad herdenken, moeten we voldoende ruimte bieden om te pionieren.”

Participatie speelt daarbij wellicht een belangrijke rol? Dehaene: “Absoluut. Maar mensen participeren altijd al in een stad, zo leerde professor Maria De Bie me. Ze wonen er en moeten met de projecten die er plaats vinden leven. Dat lijkt een dooddoener, maar participatie gaat niet uit van het project en van de zoektocht naar draagvlak. Het vertrekt van de leefwereld van wie in de stad woont en hoe een project in die leefwereld ingrijpt. Dat samenspel kan je organiseren tot iets constructiefs. Het betekent niet dat wie er nu woont of wat er al aanwezig is, over de hele lijn moet bepalen wat er komt. Stadsvernieuwing draait om het organiseren van een stedelijke beweging, het samenbrengen van mensen rond een collectief project waar wie dat wil voordeel aan kan ontlenen. Dat klinkt abstract maar is heel concreet. Het gaat om de publieke ruimte die mensen in een stad delen, de infrastructuur, de sociale netwerken, de zorgvoorzieningen, de scholen, etc.”

Welke stadsvernieuwingen vind je in elk opzicht geslaagd?

Dehaene: “Spoor Noord in Antwerpen, de herinrichting van de 19de eeuwse stadsgordel in Gent, Overleie in Kortrijk, C-Mine in Genk,... te veel om op te noemen eigenlijk. De projecten die ik vernoem springen er voor mij wel uit omdat ze ook uitdrukkelijk de sociale component van stadsontwikkeling en duurzaamheid meenamen in hun plannen. De regelgeving zet de steden onder druk om de lat ecologisch hoog te leggen, de sociale aspecten verzeilen daardoor op de achtergrond. Het is aan de overheid om ook de nodige sociale eisen te stellen. Op vlak van wonen blijven er in de steden grote uitdagingen. De ecologische eisen werken de verschuiving naar kleine koopappartementen in de hand en verhogen de druk op de huurmarkt. Ook daar hebben we nieuwe providers nodig. Georganiseerde huurbedrijven die voor lange tijd kwalitatief patrimonium aanbieden. Misschien moeten steden zelf die huurbedrijven opzetten om zo betaalbaar patrimonium op een intelligente manier te beheren en aan de juiste doelgroepen aan te bieden. Een soort sociaal verhuurkantoor plus.”

De belangrijkste instrumenten van het huidige stedenbeleid zijn stadsvernieuwing en smart cities. De kruisbestuiving lijkt evident, maar is in de praktijk niet vanzelfsprekend. Hoe los je dat op?

Dehaene: “Een polarisatie moeten we in elk geval vermijden. Het stedenbeleid mag slim zijn, maar hoe slim? Je kan beroep doen op technologie, maar je moet vermijden dat je stadsvernieuwing reduceert tot een louter technologisch verhaal. Goede ingenieurs denken ook niet zo, zij streven naar sociotechnologische systemen die maatschappelijke veranderingen teweegbrengen. Bij de ontwikkeling van nieuwe IT-platformen moet je je als overheid altijd de bedenking maken, wie er nu echt voordeel bij heeft: de burger of de productontwikkelaars? Het inbouwen van nieuwe technologie biedt kansen om te werken aan de ruimtelijke differentiatie waar ik hoger van sprak. Steden beschikken over ruimte voor geïntegreerde en gebundelde systemen. Daarbuiten liggen mogelijkheden om off-grid te werken en te opteren voor licht technologische oplossingen. Alleen is het niet altijd duidelijk wie dat moet coördineren. Voor onze nutsystemen hebben we in het verleden intercommunales opgericht, maar die beheren onze huidige systemen en het historisch passief. Die zijn niet noodzakelijk klaar of spelen niet noodzakelijk in het territoriaal verband dat het meest aangewezen is voor het ontwikkelen van nieuwe nutsystemen en technologische platformen. Ik zie de toekomst in elk geval niet somber in, zolang we differentiatie als een positief verhaal brengen. Nieuw-Zuid in Antwerpen is een mooi voorbeeld van hoe duurzame stadsvernieuwing, nieuwe nutsystemen zoals warmtenetten en nieuwe slimme beheersvormen hand in hand kunnen gaan.”

Lees de BinnenBand